Het sterke lichaam van Van der Velde

Klik op de oranje tekst om Van der Velde zelf te horen.

Kuiper vertelde dat hij terugkwam in het peloton en dat daar meerder mannen van TI-Raleigh in zaten. Deze ploeg domineerde het mondiale wielrennen in die jaren. Dat werd het meest duidelijk in de Tour de France van 1980. Joop Zoetemelk wint deze editie natuurlijk, maar zijn ploeg behaalde ook nog eens 12 etappe-overwinningen. De equipe van Peter Post was oppermachtig. Een van de speerpunten uit die ploeg en de latere winnaar van de jongerentrui in de Tour van  ’80 is Johan van der Velde. De Nederlands kampioen van dat jaar deed ook mee in LBL en werd daar uiteindelijk 9de, 12 minuten en 35 seconden na Hinault.

Tegenwoordig is Van der Velde betrokken bij Team Roompot. Via zijn management krijg ik de horen dat hij bereidt is om te praten over die helse dag, maar dan wel tussen de bedrijven door tijdens de Eneco-tour in Breda.

Op zijn gemak staat Van der Velde de pers te woord bij de bus van Roompot. Die pers moet wel geduld hebben, want Johan kent iedereen. Of beter gezegd, iedereen kent Johan. Hij wordt op zijn schouder geklopt, fans vragen om een foto of ze vertellen de meest prachtige verhalen over hoe ze hem iets hebben zien doen of winnen.

Het verhaal van Luik-Bastenaken-Luik 1980 is weer eens wat anders om over te vertellen dan de gang van zaken bij zijn ploeg. Al snel rakelt hij een aantal zaken over die editie op. Je weet van tevoren dat het een wedstrijd is van 260 kilometer. Is heel lastig. Heel de dag bergop en bergaf. Het weer speelde een hele grote rol. We hebben heel slecht weer gehad, met sneeuw en temperaturen van een paar graden boven nul Dan weet je van tevoren dat het een hele zware wedstrijd gaat worden.

Waar sommige plezierfietsers bij een druppel regen al niet vertrekken, vond Van der Velde de omschreven omstandigheden wel prettig om in te koersen. Maar ja, dat waren wel mijn wedstrijden. Het was mijn terrein. Dus ik wilde. Ik had gefocused op die klassiekers en daar ga je dan ook voor. Dan trotseer je dat gewoon dat slechte weer ook.

Sterker nog, Johan haalde motivatie uit de slechte omstandigheden. Ik kon eigenlijk heel goed tegen de kou, dus ik had daar nooit zoveel problemen mee. En ik weet altijd als ik aan wedstrijden begin, met die weersomstandigheden, dat de helft al geklopt is. Want de helft denkt van ‘o, het is koude en…’. De helft al geen zin meer, snap je?

Toch heeft de kou wel vat gehad op de renner. Op een gegeven moment ben je ook helemaal kapot en verdoofd. Het is natuurlijk ook de zwaarte van de wedstrijd die meespeelt. Ik denk dat je op dat moment ook gewoon niet meer beter kunt.

Kuiper vertelde dat Luik verlaten was toen hij als tweede over de streep kwam. Iedereen was de kroeg in gedoken om warmte te zoeken na de barre dag. Het lijkt een verhaal dat steeds heroischer is gemaakt door de fans. Of toch niet? Nou, ik denk dat het wel zo was. Het was wel zo verschrikkelijk en streng koud. Dat iedereen kwam kijken natuurlijk dat Hinault voorbij kwam en daarna gelijk de kroeg in ging duiken, omdat het zo kou was.

Johan zijn naam verschijnt op de 9de plaats in het wedstrijd verslag en hij kijkt daar ook enigszins tevreden op terug. Hij kon gewoonweg niet beter en ook niet met Hinault mee. Dat was eigenlijk niet aan de orde. Het was eigenlijk proberen zo’n kort mogelijke uitslag te rijden en dat was volgens mij die dag gewoon de best mogelijke uitslag voor mij.

Hinault reed solo weg, met nog 80 kilometer te gaan. Normaal gesproken is zo’n poging onmogelijk. Maar voor Hinault golden andere wetten. Ja, maar dat was ook een heel aparte renner. Hij kon extreem lang alleen rijden, met een grote versnelling. En wat je op dat moment denkt. Ja het is heel ver, maar met Hinault wist je het nooit van tevoren natuurlijk.

Waarom Van der Velde het niet zo erg vond om in de kou te fietsen, wordt een stuk duidelijk als hem naar de gevolgen van die dag wordt gevraagd. Lubberding hield een chronische verkoudheid over aan die wedstrijd en Hinault verloor het gevoel in 2 vinger. Van der Velde schaart zich in dezelfde hoek als Kuiper. Hij heeft nergens last van gehad. Op de vraag hoe dat komt antwoordt hij kort: ‘Sterk lichaam. Ja.’ Verder haalt hij alleen zijn schouders op.

Dat zou trouwens zomaar eens kunnen kloppen. Ik heb tijdens mijn carriere nooit, nergens last van gehad. Altijd sterk en dat ben ik nog steeds.

Later in zijn bestaan als wielrenner durft Van der Velde zelfs te zeggen dat hij de helse tocht door de Ardennen als een voordeel kon gebruiken. Je weet van jezelf dat je dat aankunt, dat je dat kunt trotseren, bij zulke zware omstandigheden. Ja, veel zwaarder kun je het niet krijgen.

Kuiper: ‘Ik had meegekund met Hinault’

Hinault wint in Luik in 1980. Hij wordt gehuldigd en het boek van die editie wordt dichtgeslagen. De wedstrijd is dan nog niet over. Eén voor één druppelen de andere renners binnen. Op gepaste afstand. Hinault heeft in 80 kilometer een gat van meer dan 10 minuten geslagen. Iemand heeft de twijfelachtige eer om tweede te worden achter een grootheid. In 1980 was die eer voor een Nederlander; Hennie Kuiper.

Het is een maandagavond en ik zit tot mijn oren in de papieren om meer te weten te komen over die editie. Eerder die dag zijn de lijntjes naar de betrokkenen uitgezet in de hoop om een paar van Nederlands grootste tijdrijders ooit te spreken. Ik word van mijn werk afgehaald door het avondeten. Dat moet ook gebeuren. Spaghetti, voer voor fietsers, al was ik niet meer van plan om die dag op mijn eigen fiets te klimmen.

De telefoon gaat. Aan tafel wordt gefronst en wat geroepen in de trant van ‘we zitten te eten, kan dit niet wachten?’. Het is geen bekende. Het nummer staat niet in mijn telefoon en ik herken het ook nergens anders van. “Goedenavond, met Thijmen Alleman”, is mijn standaard manier van opnemen. “Goedenavond. U spreek met meneer Kuiper.” Heel even zit ik vol verbazing en in stilte aan tafel. Ik word gebeld door Hennie Kuiper. Winnaar van Milaan-San Remo, Parijs-Roubaix, Ronde van Vlaanderen, de Ronde van Lombardije, 2 keer tweede in het eindklassement van de Tour en nog veel meer. Voor dit verhaal is één feit over hem het belangrijkst; hij won nooit Luik-Bastenaken-Luik., maar was er betrekkelijk dichtbij in 1980.

Als snel praten wij over die wedstrijd en specifiek die editie. Hij blikt terug op die wedstrijd, alsof hij hem gisteren reed.

Het is een superwedstrijd. Een van de grote, zware koersen in het wielrennen. En die editie helemaal. Je moet altijd een stuk vanuit Luik rijden tot je echt aan de wedstrijd begint. Dat liep wel redelijk. Zelfs tot Bastogne viel het wel mee. Daarna werd het pas echt slecht. Daar draaiden we de Ardennen in en lag er ontzettend veel sneeuw.

Opvallend is dat Kuiper lijkt te zijn vergeten dat ze de eerste helft van de wedstrijd door een sneeuwstorm zijn gereden. Op de vraag of hij zich dat herinnert antwoordt hij:  Natuurlijk, maar de kou sluipt pas later in je lijf. Meer dan 100 wielrenners zijn het hier met Kuiper waarschijnlijk niet over eens. Zij waren er na Bastenaken niet meer bij.

Kuiper schetst zelf hoe de wegen erbij lagen buiten Bastenaken. Ik heb takken gezien waarop misschien wel 10 centimeter sneeuw lag. Langs de route was het rustig. Veel mensen waren thuis gebleven vanwege de kou. De mensen die er waren, langlaufden langs de route die wij reden. Ik bedoel niet dat ze moeite moesten doen om te lopen, sommigen liepen letterlijk op latten door de sneeuw. Toen wij later in Luik aankwamen, waren de straten verlaten. Mensen zaten in de kroeg, op zoek naar warmte en wij kwamen verkleumd over de streep.

De kou en het gebrek aan publiek zijn niet de belangrijkste zaken die Kuiper zich herinnert van die dag. Ik voelde me goed. Ik reed voor mijn gevoel ook goed.  Daardoor zat ik ook op kop toen we na Bastenaken een van de heuvels op draaiden. (Waarschijnlijk de Rue de la Saint Roche, red.) De motor voor mij zat er te dicht op. Hij kon niet doorrijden en ik dus ook niet. Daardoor kwam ik stil te staan. Ik zat vast in mijn pedalen en moest van mijn fiets af. Het was sowieso een stuk waar ik een hekel aan had. Daarna moest ik in mijn eentje die berg op en in de achtervolging.

Toen ik terugkwam bij de ‘grote’ groep, was Hinault al weggereden op de Stockeau. In de groep zaten meerdere mannen van TI Raleigh. Ik zat op dat moment bij Peugeot. Dus ik dacht ‘laat die mannen maar rijden.’ Daar komt bij dat ik natuurlijk net terug was komen aansluiten. Maar het gat met Hinault werd alleen maar grote en niet kleiner. Het ging al snel van 30 seconden naar 2 minuten. Uiteindelijk ben ik op de Col de la Redoute nog gedemarreerd. Met Claeys. Inmiddels weten we dat Kuiper niet meer bij Hinault zou raken. Hij strandde op 9 minuten en 24 seconden van de winnaar.

En dat zit hem nog steeds dwars. Ik was zelf altijd wel een man van de hoge doelen en de extremen. Ik had L-B-L graag gewonnen en ik denk dat ik die dag met Hinault mee had gekund. Wat het dan aan de streep wordt, kun je niet zeggen, want na zo’n lange zware koers telt het niet wie de beste sprinter is. Maar ja, de winnaar heeft altijd gelijk en Hinault is een groot winnaar.

Als je kijkt naar grote en zware wedstrijden, dan zijn de winnaars altijd goede en sterke renners. Je moet het zo zien. Klassiekers worden altijd gewonnen door echte kampioenen, maar op diezelfde dag verliezen nog veel meer kampioenen een wedstrijd.

Daarmee sloot Kuiper zijn verhaal af. Niet de sneeuw, niet de kou en niet de andere renners zijn wat hem het meest bij zijn gebleven, maar die verdomde motor die hem zijn zege ontnam.

Mijn zoektocht naar de heroïek van Luik-Bastenaken-Luik

Mijn zoektocht naar het heldenverhaal van LBL 1980

Het is 23 april 2016 en ik hang op de bank. Heel de dag. Waarom? Het is Luik-Bastenaken-Luik, de laatste van de voorjaarsklassiekers. Voor wie ik erbij moet zeggen dat het om wielrennen gaat; schaam je! Al jaren ben ik fan van deze sport waarin mensen zich in de vroege ochtend in weer en wind op een fiets hijsen en zich in een uur of 6 tijd helemaal total loss rijden. Vroeger keek ik de finales, maar al een paar jaar ben ik zelfs verslaafd aan de uren gevuld met niets. Op Sporza beginnen José de Cauwer en Michel Wuyts zoals altijd al vroeg met speculeren, terugblikken, uitleggen en vooral veel verhalen vertellen. Dat houden ze lang vol. Daarmee bedoel ik niet alleen die uitzending. Nee, dat houden die twee al jaren vol en ik hoop dat ze het nog een paar jaar volhouden.

Maar terug naar Luik. Of Bastenaken. Geen idee waar de renners precies zitten. Ergens in de Ardennen. Een groepje heldhaftige naïevelingen rijdt op kop. Waarom naïevelingen? Laat ik aan de niet wielerfans even uitleggen hoe een klassieker verloopt. De renners starten en gedurende een uur knokken de mindere goden om een plek in de kopgroep. Die groep heeft de ondankbare taak om heel de dag kneiterhard te fietsen en uiteindelijk met lege handen naar huis te gaan. Want in het laatste gedeelte van de race worden ze roemloos voorbij gereden door de ‘grote kleppers’.

Zo ook deze editie. En zodra de kopgroep is bijgehaald, begint het grote gokken. Waar rijd je als favoriet weg? Gok je op je sprint? Heb je nog knechten om druk te zetten? Wuyts en De Cauwer hebben genoeg om te roepen nu. Op de allerlaatste klim, redelijk vroeg al, rijdt er een groepje weg met Wout Poels. Het stille hopen dat Nederlanders al jaren doen, begint weer. Gaat een Nederlander een klassieker winnen? Het is een spel waarbij om en om geprobeerd wordt om de andere renners te lossen. In de laatste bocht gaat Poels vol aan. ‘Te vroeg!’, roep ik door de woonkamer en sla mijzelf voor het hoofd. Maar hij was te niet te vroeg. Poels is zo sterk dat hij als eerste over de streep komt en Nederland wordt gek. Althans, zo zie ik het.

Mijn vader, net zo’n groot wielerfan, zit te morren in zijn stoel. Ik moet even uitleggen waarom mijn vader mort. Hij houdt van wielrennen. Is er verzot op. Volgt alles en kijkt alles en weet verschrikkelijk veel. Maar hij houdt vooral van het oude wielrennen. Toen ‘wij’ onderling bepaalden wie welke wedstrijd won. Tenminste, wanneer Merckx het toestond. Het hedendaagse wielrennen doet hem minder en ik heb dan ook vaak discussies met hem over hoe goed of slecht de Nederlanders zijn. Het is verworden tot een spel waarin ik hem vertel wanneer een Nederlander iets gewonnen heeft en hij foetert dat het mazzel is. Allebei lachen we er hartelijk om.

Hij mort ook omdat wielerjournalisten over elkaar heen vallen om te zeggen hoe geweldig de prestaties van Poels is en hoe heroïsch zijn verhaal is. Niet dat hij het er niet mee eens is, maar hij legt alles tegen historisch perspectief. Als snel volgen de woorden die mij zouden inspireren tot de zoektocht die jullie hier lezen. ‘Weet je wat heroïsch was? Hoe Hinault in 1980 won! Dat was koers! Dat was strijd! En dat was heroïek!’

En zo begon mijn zoektocht. Wat gebeurde er in 1980 en wat vonden de betrokkenen ervan? Het verhaal dat hier volgt is er een met verschillende gezichten. Allereerst probeer ik een grove schets te maken van het wedstrijdverloop. Vervolgens doen een vriend en ik aan participerende journalistiek door zelf af te zien in de heuvels van de Ardennen in een video. Daarna volgen de interviews met betrokkenen Kuiper, Lubberding en Van der Velde. Bij die laatste zijn stukjes audio in de tekst verweven. Tot slot legt deskundige uit wat de gevolgen van die barre tocht door de Ardennen kunnen zijn geweest.

Dat alles wordt u voorgehouden door middel van de tool hieronder. Volg de letterlijke route van dit verhaal en ontdek wat Luik-Bastenaken-Luik 1980 in petto had voor de renners. Veel lees-, kijk- en luisterplezier.

SLB Blog

Officieel heb ik bij het schrijven van dit bericht nog geen gesprek gehad met Annemarie Rijkers, mijn nieuwe SLB’er. Toch wil ik wel graag terugblikken op mijn ontwikkeling de afgelopen maanden en mijn mening geven over de projecten.

 

Startmaand:

De eerste maand van het nieuwe jaar viel me wat zwaar. Had een nogal rumoerige zomer achter de rug en vond het moeilijk om gelijk vijf dagen per week in de schoolbanken te zitten. Daarbij bleven een aantal van de activiteiten wat vaag voor mij. Journalism Studies, Inhoudsprofilering en Vrije Ruimte, maar vooral hoe deze zaken tot elkaar in verhouding zouden staan. Daarbij leek er in mijn ogen weinig vooruitgang te worden geboekt in de verschillende onderzoeken die we moesten ondernemen. Dat kwam door onduidelijkheid, maar ook het eerder aangegeven gebrek aan motivatie. Dat leidde er samen toe dat ik aan het eind van de startmaand een bericht kreeg van Michel Simons dat ik in principe te weinig aanwezig was geweest.

 

Mediummaand 1: Tech en Tools

Dat veranderde wel in de tweede maand. Ik had ervoor gekozen om te beginnen met Tech en Tools, onderdeel van de nieuwe internetstroming voor mediumspecialisatie. En ik heb me daar ontzettend vermaakt. Soms was het wel wat puzzelen om bepaalde tools of producties aan de praat te krijgen, maar snel genoeg pikte ik op hoe het werkte en wat ik ermee kon. Voor het maken van mijn uiteindelijke productie voor Vrij-Ruimte heeft dat me wel een voordeel gegeven. Het aanpassen van de achtergrond, kleuren die beter zichtbaar zijn op die achtergrond en de hoofd gimmick zijn allemaal handmatig gemaakt en ingevoegd. EN dat ging veel sneller door de voorkennis van Tech en Tools.

 

Mediummaand 2: Schrijven Large

Bij Schrijven Large heb ik veel geleerd over spanningsbogen. Voor mijn werk als correspondent bij de Bergse Bode schrijf ik wel verhalen, maar die zijn vaak rond de 500 woorden. Daarbij is een spanningsboog natuurlijk minder moeilijk in te brengen dan bij een artikel van bijna 3000 woorden. En dat is wat ik geschreven heb bij SL. Voor een verhaal heb ik me verdiept in de overwinning van Niki Terpstra in Parijs-Roubaix. Daarvoor heb ik vele Belgische kranten, websites, interviews, live-beelden en weet ik wat nog meer bekeken. Helaas was Niki zelf niet beschikbaar voor een gesprek, dat had het verhaal nog mooier gemaakt. Wat ik met name het leuke vond aan het schrijven van dit verhaal, is het literaire karakter. Vaak worden over wielrenners de meest schitterende heldenepossen geschreven en ik dacht dat ik dat niet zou kunnen. Volgens mij ben ik er achteraf toch aardig in geslaagd.

 

http://deverslaggever.fhj.nl/als-je-wint-heb-je-vrienden/

 

Mediummaand 3: Fotografie

Deze maand verliep iets minder goed naar mijn idee. Dat kwam onder andere omdat ik een week zware griep heb gehad. Het vervelende daaraan was dat ik daardoor de camera-instructie heb gemist. En hoe belangrijk die week was heb ik de andere drie weken wel gemerkt. Ik liep daardoor af en toe achter de feiten aan en sommige van de foto’s voor de uiteindelijke portfolio waren dan ook niet helemaal naar mijn wens. Wel wil ik graag benadrukken dat ook dit een leuk project was. We hebben veel geleerd over de betekenis van foto’s, aandachtspunten bij het maken van foto’s, hoe maak je een portret, wat zijn de regels die verbonden zijn aan bewerking. Kortom, meer dan genoeg informatie voor vier weken.

 

Terugblik:

Een ding is me wel opgevallen aan alle profileringsmaanden, namelijk dat ze te kort zijn. Althans, als je het doet zoals ik. Ik heb een gevarieerd pakket gekozen met een stukje internet, een stukje schrijven en een stukje beeld. Daardoor heb ik wel het idee dat ik een soort rode draad mis. Als je drie keer gekozen hebt voor schrijven, dan zit er meer structuur in wat je doet en blijft het beter hangen. Nu was ik van maand op maand met een totaal verschillend onderwerp bezig. Qua verbreding goed, qua verdieping misschien wat minder. Als ik nu nog een keer zou moeten kiezen welke projecten te volgen, zou ik waarschijnlijk drie keer internet kiezen. Daar zaten naast Tech en Tools nog wel andere onderdelen bij die mij aanspreken en dan heb je in mijn ogen ook meer houvast.

 

Al met al ben ik wel tevreden over de dingen die heb ik geleerd en gedaan. Ik heb voor Inhoud mogen spreken met trainers van de KNWU of met ex-profrenner Rob Harmeling, voor Journalism Studies heb een interview mogen houden met Arno Vermeulen en met hem gesproken over het zijn van voetbalcommentator. En bij Tech en Tools heb ik mogen stoeien met systemen die momenteel door sites als NU.nl ook worden gebruikt. Zo heb ik ook een mooi kijkje in het werkveld kunnen nemen.

 

 

Onderzoek JS: Is de wielerjournalistiek verouderd?

Inleiding:

De laatste jaren heeft de wielerjournalistiek nogal wat klappen om de oren gehad. Dat had veelal te maken met de dopingpraktijken die zich, zogenaamd, onder de neus van de journalisten hebben afgespeeld. Het publiek en andere journalisten werd verweten dat ze teveel fan van de sport zijn en te weinig journalist. Verder is er ook een discussie ontstaan over het presenteren van de sport in de media. Zo sprak Maarten Ducrot openlijk in uitzendingen over de kritiek die er was op het veel te heroïsch vertellen over de wielersport. Daarnaast zijn er enkele of beter gezegd weinig ontwikkelingen in de vorm waarin de sport door de media wordt uitgedragen. Kortom, genoeg ruimte voor verbetering.

 

Aanleiding:

Persoonlijk hoop ik over enkele jaren, na het opdoen van wat meer ervaring in het werkveld, me wielerjournalist te kunnen noemen. De weg daar naartoe is nog lang en lastig, aangezien het niet velen is gegeven om zich daadwerkelijk iedere dag met die sport bezig te houden. Om mezelf toch een voordeel te geven op andere kanshebbers, vroeg ik me af wat en hoe ik me kan onderscheiden van de rest. Daaruit is ook mijn onderzoeksvraag ontstaan.

Is de huidige wielerjournalistiek verouderd?

Deze vraag is eigenlijk tweeledig, zoals later door mijn bronnen ook wel zal worden aangetoond. Ten eerste gaat het om ontwikkeling in genres en technieken om de sport anders in beeld te brengen. Daarnaast kan het ook gaan om de ontwikkeling van de journalist zelf. Zo uitte David Walsh[1] ooit kritiek over wielerjournalisten door te zeggen dat het ‘sportverslaggevers fans zijn met typmachines’. Om dat te veranderen is mogelijk ook een mentaliteitsverandering nodig.

Aan een hoofdvraag zitten natuurlijk enkele deelvragen vast.

  1. Wat zijn de ontwikkelingen die plaatsvinden op het gebied van journalistieke techniek bij de wielersport?
  2. Kunnen de ontwikkelingen in storytelling ook een aanvulling zijn op de huidige wielerjournalistiek?
  3. Werken andere genres of inzichten wel in de omschrijving van een sport die van nature neigt naar heldenverhalen?
  4. Moet er op een andere manier naar verhalen worden gezocht om ze ook anders te kunnen vertellen?

 

Aanpak:

Om tot een antwoord op mijn vragen te komen was research nodig. Al snel bleek echter dat naar mijn specifieke onderwerp weinig onderzoek is gedaan. Het was een te specifiek onderwerp. Toch bracht een eerste verkenning al een aantal zaken aan het licht, zoals een gebrek aan wielerblogs en een overdaad aan zogenaamde nieuwssites. Ook bleek uit het zoeken binnen media naar verhalen, dat er steevast voor dezelfde vormen werd gekozen. De TV heeft een rechtstreekse uitzending van de wedstrijden, voorzien van commentaar en enkele praatprogramma’s. Kranten en tijdschriften houden het bij interviews en wedstrijdverslagen.

Om tot een goed onderbouwd antwoord op de vraag te komen bleek ik dus de research wat breder te moeten trekken. In plaats van het richten op de wielersport specifiek, heb ik meer onderzoek gedaan naar de ontwikkelingen in sportjournalistiek. Een veel gebruikte term was daarbij storytelling en hoe dit gebruikt kan worden in de sportjournalistiek.

Een ander probleem waar ik tegenaan liep was de overdaad aan artikelen over hoe de wielerjournalistiek gefaald had omtrent het dopinggebruik. Vaak ontbrak echter de manier waarop het dan wel had moeten gebeuren. Na het toepassen van een strak filter op deze artikelen zijn er toch enkele punten naar voren gekomen, die ik in de bevindingen nader zal toelichten.

 

Bevindingen:

Ontwikkelingen in de wielerjournalistiek

Allereerst is er kritiek op de manier waarop verslag wordt gedaan. Zo zou er in het verleden te heldhaftig zijn gedaan over de prestaties van renners zoals Armstrong en daardoor zouden de betrokkenen zich nu belachelijk maken. De NOS kondigde eind 2012 aan de wedstrijden te blijven verslaan[2]. Enkele maanden later liet de NOS wel weten dat de toon zou worden gematigd. Als wielervolger heb ik vele wedstrijden bij de NOS gekeken en Maarten Ducrot hier vaak over horen praten. Hij kwam er openlijk voor uit dat hij dit lastig vond, aangezien hij de sport en heroïek onlosmakelijk met elkaar verbonden ziet.  Renaat Schotte[3] vertelt tegenover DeNieuweReporter dat ook hij dit problematisch vindt. Je kan volgens hem niet aan de ene kant een renner bewieroken voor zijn prestatie en aan de andere kant een kritisch rapport over die renner in beeld brengen.

Een andere ontwikkeling die met name het laatste jaar is ingezet is het gebruiken van nieuwe  technologische ontwikkelingen bij het uitzenden van wedstrijden. De ASO, organisator van onder andere de Tour de France, maakt dit jaar in de Tour gebruik van GoPro camera’s aan het stuur en zadel bij wielrenners. Hiermee wil de organisatie proberen om het publiek nog meer te betrekken bij de koers. Eind 2014 kwam naar buiten dat fabrikant GoPro[4] bezig zou zijn met het sluiten deals met wielerteams over het leveren van camera’s voor gebruik in de wedstrijd. Giant-Shimano, dit jaar Alpecin-Shimano genoemd, experimenteerde daar zelf al mee tijdens trainingen.

 

Storytelling

Katie Baker[5] schreef in 2011 een artikel voor de New York Times waarin zij het effect van storytelling op sportbeleving uitlegt. In het artikel, genaamd Giridron Girls, stelt zij dat American Football uitermate populair geworden is onder vrouwelijke kijkers en lezers door het gebruik van storytelling. Mannen kijken naar de sport en de wedstrijden, maar vrouwen , en in mindere maten ook mannen, zouden meer op zoek zijn naar een mooi verhaal achter de spelers.

In zijn boek Storycraft vertelt Jack Hart[6], eindredacteur en schrijfcoach bij de Oregonian, dat de wereld klaar is voor nieuwe journalistiek genaamd literaire fictie. Dat zijn waargebeurde verhalen die verteld worden als een roman, met kenmerken zoals spanning, opbouw in het verhaal en meeleven met een held.

De ideeën van Baker en Hart worden in Nederland uitgesproken door de heren Henk Blanken en Wim de Jong[7]. Zij schreven in 2014 het Handboek Verhalende journalistiek over de manier waarop kranten en tijdschriften zich kunnen onderscheiden door meer verhalende en toch feitelijk verhalen te vertellen aan het publiek.

 

 

Anders zoeken voor andere verhalen

Wessel Penning[8], Sportchef bij het AD, vertelt in het VVOJ-café begin 2013 dat hij sportjournalisten wil koppelen aan onderzoeksjournalisten. De reden daarvoor is dat het moeilijk blijkt voor sportjournalisten om kritische verhalen te schrijven over een wedstrijd, omdat ze er zo dicht bovenop zitten. Thijs Zonneveld, onder andere columnist bij het AD: “Je wordt al snel persoonlijk aangesproken op een kritisch verhaal.”

De noodzaak voor deze koppeling wordt eigenlijk door verschillende sportverslaggevers onderschreven in een artikel van DeNieuweReporter. Renaat Schotte[9]: “Zien, horen en zwijgen is net het credo van elke zichzelf respecterende journalist. Je vertelt of schrijft best niets dat je niet hard kan bewijzen. Geldt voor wielerjournalisten, politieke journalisten en bij uitbreiding alle journalisten.”

De NOS liet dus eind 2012 het wielrennen te blijven verslaan, maar begin 2013 werd aangekondigd dat de toon zou veranderen. Als reactie op dit nieuws sprak NCRV-radio met Jo Deferme[10]. Deferme is verantwoordelijk voor het wielrennen bij Sporza, de Belgische sportzender. In dat interview sprak  Deferme over dat hij geen team ter beschikking heeft om alles op te sporen, maar dat Sporza inmiddels wel gebruik maakt van een klein groepje journalisten die specifiek zoeken naar verdachte zaken. De reden dat Sporza dit niet grootschaliger aanpakt, komt volgens Deferme door een gebrek aan middelen.

 

Conclusie:

Een aantal zaken komt uit het onderzoek naar voren.

Nieuwe technieken

Het lijkt erop dat er binnen de wielerjournalistiek goed wordt gekeken naar de technologische ontwikkelingen en de journalistieke taak. Gebruik van sportcamera’s op het stuur om de sport mooier en anders in beeld te brengen en het aanpassen van commentaar om de sport realistischer over te brengen naar het publiek.

Storytelling:

Sportjournalisten kunnen op allerlei vlakken gebruik maken van storytelling om met hun verhalen het publiek meer te betrekken. Door literaire non-fictie wordt de lezer meer in een verhaal, of in dit geval een wedstrijd, gezogen. Storytelling kan de schrijfontwikkeling zijn die de GoPro voor het wedstrijdverslag is.

Onderzoeken:

Ook lijken de verschillende journalisten en betrokken media zich ervan bewust dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar de wielersport om ervoor te zorgen dat verhalen over doping eerder uitkomen. Daarvoor zet de ene journalisten speciaal op die taak en de andere legt een link tussen verslaggevers en onderzoekers.

 

 

 Discussie:

Een aantal van deze conclusies leveren wel tegenstrijdige gedachten op, zoals Storytelling tegenover geloofwaardigheid. Commentatoren moeten minder heroïsche verhalen vertellen over de wielersport, maar storytelling-experts proberen juist meer heroïek in sportverhalen te brengen. Je zou zelfs kunnen claimen dat op het gebied van storytelling de journalistiek juist voorloopt op andere sporten, door haar heldenepossen en meeslepende verhalen over de koers. Misschien dat dat vooruitlopen dan bij heeft gedragen aan het beeld dat mensen nu hebben van de wielerjournalistiek.

Verder lijkt de wielerjournalistiek niet verouderd op het gebied van technologische ontwikkelingen, want er wordt al gebruik gemaakt van nieuwe cameratechnieken om het publiek te binden. Wel kan gezegd worden dat er online een gebrek is aan nieuwe media of nieuwe genres waarin wielerverhalen worden gebracht.

Opvallend is ook de brede consensus over het nodig hebben van onderzoekende sportjournalisten. Deferme en Penning zoeken beiden naar een andere oplossing voor hetzelfde probleem. Het is echter afwachten om te zien of het wat oplevert, want het aantal dopingverhalen in het nieuws is niet meer of minder dan voor het uitkomen van het rapport over Armstrong. Dat kan zijn door minder dopinggevallen of doordat de journalisten het wederom niet kunnen  opsporen. Die laatste opmerking dient genuanceerd te worden door de woorden van Renaat Schotte: “Je vertelt of schrijft best niets dat je niet hard kan bewijzen.”

 

 

 Bronnenlijst:

 

 

[1] Pugh, Andrew(2012), David Walsh: It was obvious to me Lance Armstrong was doping

[2] Van Soest, Thijs(2012), NOS blijft wielrennen verslaan maar nooit zomaar kritiekloos, Volkskrant

[3] Pleijter, Alexander (2012) Het ontbreek de journalistiek aan slagkracht om doping op te sporen, De Nieuwe Reporter

[4] Duff, Alex(2013)GoPro in talks to fit cameras to Tour de France bikes

[5] Baker, Katie(2011) Giridron Girls, New York Times

[6] Hart, Jack (2011) Storycraft, University of Chicago Press.

[7] Blanken, Henk en De Jong, Wim(2014) Handboek Verhalende Journalistiek, Atlas Contact.

[8] Penning, Wessel en Zonneveld, Thijs (2013), VVOJ-café over de wielerjournalistiek

[9] Pleijter, Alexander (2012) Het ontbreek de journalistiek aan slagkracht om doping op te sporen, De Nieuwe Reporter

[10] Deferme, Jo(2013) Veranderingen verslaggeving wielrennen, NCRV-radio

JS: Arno Vermeulen omschrijft de perfecte voetbalcommentator

Met het bord op schoot voetbal kijken is in Nederland uitgegroeid tot een begrip. In vele huiskamers is op zondagavond het geluid van een voetbalwedstrijd te horen, met het daarbij horende commentaar. Ook wordt er veelvuldig gesproken over hoe goed of slecht die commentator is. Maar wat is dan een goede commentator? Arno Vermeulen, chef voetbal bij de NOS, legt uit wat de 5 ingrediënten zijn die samenkomen in een goede commentator.

 

 

1: Journalist

“Een goede commentator is met name een goede journalist. Mensen denken weleens: ‘Waarom is dat nou nodig?’. Maar het vak heeft alles met journalistiek te maken. De commentator moet de afweging maken tussen wat wel en niet belangrijk is om te vertellen tijdens een wedstrijd. Dat is precies een van de essentiële dingen die jonge journalisten wordt bijgebracht. En hopelijk laten zij dat in de praktijk zien.”

 

2:Spelinzicht

“Verstand van voetbal is niet zo te pakken. Iedereen denk dat hij het heeft en er zijn ongetwijfeld mensen die het daar dan weer niet mee eens zijn. Inzicht in voetbal is het begrijpen hoe een wedstrijd zich ontwikkelt en de kantelmoment in een wedstrijd aanvoelen. Je hoeft geen trainersdiploma te hebben, maar je moet wel het een en ander weten van tactiek en speelwijze. Hoe beter je dat soort dingen ziet, hoe beter je commentaar kan geven.”

 

Helaas is dit iets waar je als journalist in spé niet zo veel aan kunt werken. “Je kunt het niet voorbereiden. Iedere commentator bereidt zich tot op de puntjes voor, maar je moet het op de juiste momenten zien en doorhebben. Als iemand dat niet heeft, dan kun je daar niet zo veel aan doen. Het is een gave die je moet hebben.”

 

3: Stem

“Het is heel prettig als je een goede, lekkere stem hebt, je duidelijk kunt praten en goed kunt formuleren. Je moet ook goed Nederlands spreken. Daar valt wel wat aan te schaven, maar ook daar zijn marges aan verbonden. Je kunt niet tegen een doorsnee commentator zeggen dat hij net zo bloemrijk moet worden in zijn taal als Frank Snoeks. Zover kun je het niet bijbrengen.”

 

Voor met name voor jongens uit Brabant, Limburg of juist Groningen of Friesland, ligt er nog een extra uitdaging klaar; accent. “Iemand uit Limburg met een zwaar accent gaan we niet aannemen, want je weet niet of je dat eruit krijgt bij iemand. Als je een heel serieus of zwaar accent hebt, dan moet je zo jong mogelijk zorgen dat je dat afzwakt. Hoe beter je ABN is, hoe beter je kansen zijn.”

 

Er is wel een uitzondering op de regel. “Vroeger had je op de radio Henk Kok. Hij kwam uit Groningen en had een zwaar accent en een regionale uitstraling. Hij gaf vaak commentaar bij wedstrijden van Groningen. Hij werd door zijn accent een soort cultheld. Daar kun je er wel één van hebben bij de NOS, maar hij zou bijvoorbeeld nooit een Champions League finale van commentaar mogen voorzien.” Overigens is Henk Kok, met pensioen, dus misschien is er weer een plekje voor een cultheld.

 

4: Humor

“Als een commentator humor heeft, dan is dat bijvangst. Een commentator die af en toe een leuke, scherpe opmerking kan maken, dat is leuk voor het commentaar. Dat maakt het voor de kijker prettiger. Maar het is niet zo dat humor belangrijker is dan inzicht. Ik heb in het verleden wel eens iemand gehad die humoristisch was en dat ook graag wilde zijn, maar hij zag het voetbal niet. Daar hebben we bij de NOS niks aan.”

 

5:Timing

“Ik zei al eerder dat iedere commentator zich goed voorbereidt en veel informatie tot zich neemt. Maar timing van die informatie is heel erg belangrijk tijdens een wedstrijd. Als je je heel goed hebt ingelezen en heel veel kennis hebt, maar dat al in de eerste twintig minuten van een wedstrijd allemaal vertelt, kan dat dodelijk zijn voor je commentaar. Want iemand die zit te kijken denk dat bij zichzelf: ‘Ik word bekaf van die vent’. Het is belangrijk dat je veel weet en daar misschien maar tien procent van gebruikt in je commentaar. Je hoort wel eens grappen over commentatoren die het hebben over een zus, een moeder of een buurvrouw, dat is vrij zinloos. Maar het is wel heel erg leuk als je zit te kijken naar een wedstrijd, dat de commentator komt met een echt leuk detail, waarbij je denkt: ‘Dat wist ik helemaal niet’. Daardoor kijk je dan toch anders naar die wedstrijd.”

NOS voetbal

NOS

Gezegd moet wel worden dat de hierboven aangegeven criteria misschien alleen gelden voor de NOS. “De lijn die wij hanteren, heeft meer te maken met journalistiek dan met amusement. Onze redactie is gevestigd in een journalistiek huis. Daarom ook liever dat een commentator wat meer de bal volgt en inzicht heeft, dan dat hij met randverschijnselen bezig is en grappen maakt, maar niet ziet dat de trainer een belangrijke verandering doorvoert. De wedstrijd blijft het belangrijkste. Wij zijn hier nog klassiek geschoold. Vroeger, in de tijd van de zwart-wit televisie werd ook gesproken van begeleidend commentaar en dat is bij de NOS nog steeds zo. Een commentator begeleidt een wedstrijd.”

 

Mocht iemand dit lezen en denken aan alle criteria te voldoen, dan wil dat nog niet zeggen dat je gelijk een baan bij de NOS kan krijgen. “Ik werk nu tien jaar bij de NOS en in al mijn jaren zijn er niet veel commentatoren bij gekomen. Een van de weinige die de mensen wel eens horen is Jeroen Elshof. Wij nemen namelijk sowieso niet veel mensen aan.” En wie toch graag commentaar geeft, kan dat gewoon blijven doen op de bank thuis. Met als onderwerp; de commentator.

 

Foto is afkomstig van de twitterpagina van NOS Voetbal

Betoog: Tourwinnaar Kelderman

1967, 1968, 1979 en 1980. Wat hebben die jaren gemeen? Ongetwijfeld kan er een hele waslijst aan vergelijkingen op losgelaten worden, maar voor wielerfans telt maar één feit. In die vier jaar won een Nederlander een grote etappekoers. Jan Janssen won in 1967 de Vuelta a España en in 1968 de Tour de France. Joop Zoetemelk deed hem dat kunstje na met in 1979 de Vuelta en in 1980 de Tour. Dit feit zal mening wielerfan aan de glorietijd van het Nederlandse wielrennen laten denken, maar daarop volgt wel een pijnlijke realisatie: die tijd ligt ver achter ons en een grote ronde winnen we niet zomaar. Voor die mensen heb ik goed nieuws, want Wilco Kelderman gaat binnenkort een grote ronde winnen. Althans, als alles meezit. Want sportsucces is maakbaar. 

 

Daar kan lang of kort over gediscussieerd worden, maar dat is zinloos. Onderzoeksorganisatie SPLISS (Sports Policy factors Leading to International Sporting Success) heeft namelijk in 2007 en 2008 onderzoek gedaan naar deze stelling en kwam met een aantal interessante uitkomsten. De belangrijkste daarvan is dat hoe meer geld er in een degelijke organisatiestructuur gestoken wordt, hoe meer medailles er gewonnen worden op Olympische Spelen. Nederland scoorde opmerkelijk goed voor zo’n klein land. Verder is interessant om te melden dat Nederland ook met name hoog scoorde op het gebied van talentscouting en begeleiding, iets wat door SPLISS als essentieel werd omschreven voor kleine landen, omdat die minder talenten hebben om uit te kiezen dan landen met een grote populatie.

 

Foto van Wilco Kelderman uit 2013, gemaakt door Yoyo631 voor Wikimedia.

Laat die scouting nou net iets zijn waar talentcoach Peter Zijerveld van de KNWU enigszins kritiek op heeft. “Hier in Nederland rijden talenten alleen maar op vlakke wegen met veel wind. Een renner met klimtalent kan zich in die wedstrijden niet tonen en haakt af. Die heeft geen zin om in iedere wedstrijd op 20 minuten gereden te worden. De Nederlandse mentaliteit moet veranderen om meer klimtalent te vinden en te ondersteunen.” Zijerveld plaatst nog een tweede kanttekening waardoor het winnen van een  grote ronde een probleem kan worden. “Een carrière verloopt niet altijd perfect. Een toptalent kan veel tegenslag tegenkomen en dan niet al zijn potentie in resultaat omzetten. Je moet mentaal hard zijn, talentvol zijn, er hard voor willen werken en niet teveel tegenslagen hebben.” Maar ondanks zijn kritiek ziet zelfs ex-wielrenner Zijerveld kansen voor Nederland. “Als ik twee namen moet noemen waarvan ik denk dat zij alles hebben om een grote ronde te winnen, dan noem ik Wilco Kelderman en Daan Olivier. Die gasten hebben alles in huis. Ze moeten alleen de kans krijgen om alles uit hun talent te halen en misschien hebben ze ook wel een beetje mazzel nodig.”

 

Er zijn meer redenen te noemen waarom het aannemelijk is dat Kelderman in de toekomst een grote ronde op zijn naam gaat schrijven, namelijk zijn uitslagen. Als we kijken naar Joop Zoetemelk, reed hij vanaf zijn eerste profjaar met de beste mee in grote rondes. Sterker nog, hij reed maar liefst twaalf keer naar een plaats in de top tien van de Tour de France. Janssen reed in acht deelnames naar vijf top tien klasseringen. Kelderman kan ook goede cijfers voorleggen. Hij deed drie keer mee aan een grote ronde (2x Giro en 1x Vuelta) en eindige drie keer bij de beste twintig, met een 7de plaats in de Giro d’Italia in 2014 als hoogtepunt. Hij begint zijn carriere in ieder geval op de juiste manier.

 

Daar komt bij dat het hele Nederlandse wielrennen in de lift zit. 2014 was een topjaar. Nederlanders schreven maar liefst 106 overwinningen op hun naam. Alleen Italianen wonnen meer wedstrijden. Voor het eerst in 13 jaar won een Nederlander een klassieker. Dat was Niki Terpstra die Servais Knaven opvolgde als winnaar van Parijs-Roubaix.  Ook de tourdroogte van negen jaar werd beëindigd door Lars Boom. Verder wonnen ‘we’ eendagswedstrijden, etappekoersen en semi-klassiekers. Daarnaast reden Nederlanders ook naar goede noteringen in een van de drie grote rondes. Mollema en Ten Dam eindigden in de top tien in de Tour, Gesink stond 6de in de Vuelta voor hij uit de wedstrijd stapte en Kelderman werd zoals gezegd 7de in de Giro.

 

Kortom, alle omstandigheden zijn aanwezig voor Nederlands Toursucces. ‘We’ strijden mee in belangrijke wedstrijden en winnen ze ook weer. ‘We’ deden mee in klassementen. ‘We’ brengen wielertalent voort en hebben een aantal toprenners in wording en ‘we’ begeleiden ze goed. Het enige dat ‘we’ nog nodig hebben, is dat kleine beetje geluk dat het verschil maakt tussen demarreren en uit het wiel gereden worden.

 

Foto is gemaakt door Yoyo631 voor Wikimedia.

‘Daan de Jong wint Tour de France 2042’

In Utrecht wordt op 24 september 2014 Daan de Jong geboren. Tijdens zijn jeugd blijkt Daan een jongetje als alle anderen te zijn. Hij houdt van voetballen met zijn vriendjes op het schoolplein en hij vindt school net iets minder leuk dan de meisjes in zijn klas. Daan heeft een wens. Joop Zoetemelk worden.

Zo lang als hij zich al kan herinneren houdt hij namelijk van wielrennen. Het afzien, de heldendaden, de sprints die op een millimeter beslist worden en het winnen. Op weg van school naar huis sprint hij altijd tegen zijn vrienden van het ene naar het andere verkeersbord. Kort gezegd, Daan wil dus een ronderenner worden en de Tour de France winnen. En hij heeft geluk, want onder de juiste omstandigheden, kan hij dat worden.

Factoren

Ex-wielrenner en winnaar van een Touretappe, Rob Harmeling, jeugdtrainer bij de KNWU, Peter Zijerveld en mecanicien van het Olympische jeugdwielerteam, Harrie Cremers, laten hun licht schijnen op enkele belangrijke factoren die de jonge Daan in de gaten moet houden om ooit de Tour de France te winnen.

Op onderstaand wedstrijd profiel ziet u enkele tussen- en bergsprints staan. Deze wijzen u naar de verschillende factoren die ervoor kunnen zorgen dat Daan de Tour de France zal winnen. Het gaat om Talent, Training, Mentaal, Materiaal, Lichaam en Team.